Hoe lang bestaat het Nieuwe Testament eigenlijk al?

Hoe lang kennen we de boeken van het Nieuwe Testament, wat zijn de oudste exemplaren? Dit is een niet onbelangrijke vraag want daarmee hangt niet alleen de datering van de boeken samen maar ook de betrouwbaarheid.

(Download dit artikel in PDF-formaat)

Stel, ik zou een boek schrijven over iemand die 150 jaar geleden heeft geleefd. Mijn bronnen: mondelinge overleveringen. Dan zou de betrouwbaarheid er van behoorlijk matig zijn. Maar als ik een boek schrijf over de 2e wereldoorlog, nu zo’n 75 jaar geleden, kan ik nog voldoende mensen spreken en interviewen die deze oorlog meegemaakt hebben. Met andere woorden: uit de éérste hand hun verhalen optekenen, met elkaar vergelijken en zo tot een betrouwbaar verslag komen.

Met de kerstdagen hebben we herdacht dat Jezus is geboren (rond het jaar 4 voor de jaartelling). De eerste verslagen van zijn leven, gebaseerd op onderzoek en eigen ervaring van de geïnterviewden, verschenen rond het jaar 60 (Evangelie van Lucas bijvoorbeeld).

Datering Lucas

Sommigen ontkennen dit; zij stellen dat “Het Nieuwe Testament veel later is geschreven”, zoals bijvoorbeeld ditzelfde Evangelie van Lucas; het zou volgens het NBG rond het jaar 80 en volgens sommigen zelfs pas uiterlijk rond 130 n.Chr. zijn verschenen. Conclusie: Lucas kan niet de schrijver  zijn(!) en dan zouden de Bijbelse gegevens die wij hebben, en de traditie, op dat punt een leugen verkondigen.

Ook zou Lucas zelf liegen wanneer hij claimt, in de Handelingen, samen met Paulus op te trekken (“wij”). Dat maakt per direct dan zo’n heel schrijven totaal ongeloofwaardig. Dat tast dan de basis van de geschiedenis van de Christelijke gemeente, de kerk, aan en is een ernstig probleem.

Het zou ook een onbetrouwbaar boek zijn op ander gebied immers: honderd jaar na dato zijn er nauwelijks nog levende getuigen van het leven van Jezus en als er al een spaarzame, zéér oude, getuige zou zijn, hoe zou die zich nog zo veel en zo precies alles kunnen herinneren? En natuurlijk kun je ook niet de diverse bronnen tegen elkaar afwegen.

Hoe zit dat met de datering van Lucas en andere Bijbelboeken en brieven?

Volgens de overlevering uit de vroegste dagen van de kerk schreef Lucas, een arts en naaste metgezel van de apostel Paulus, zowel Lucas als Handelingen (Kolossenzen 4:14; 2 Timoteüs 4:11). Daarmee zou Lucas de enige niet-Jood zijn die een Bijbelboek geschreven heeft. (GotQuestions)

Het Nederlands Bijbelgenootschap beweert echter:

“Aangezien Lucas een christen van de tweede of derde generatie was, het Marcus-evangelie*) kende en weet had van de val van Jeruzalem in 70 na Christus**), is het evangelie waarschijnlijk geschreven omstreeks het jaar 80 na Christus. Waar het tot stand kwam is onduidelijk: het kan op elke plaats in de hellenistische wereld geschreven zijn.”

*) Dat Lucas en Marcus elkaar kenden en Lucas toegang had tot Marcus’ werk (feitelijk Petrus’ verslag, door Marcus op schrift gesteld) mag geen verbazing wekken, ze waren beide medewerkers van Paulus, volgens Paulus zelf.
**) waarom deze bewering gedaan wordt is onduidelijk, daarnaast is dit in het kader van de datering een zeer zwak en in relatie tot datering andere evangelieën strijdig argument zoals we verderop zullen zien.

Zouden de vroege kerkvaders, waar we de eerdergenoemde ‘overleveringen’ van hebben ontvangen, dan hebben gelogen over deze brieven en Evangeliën? Zij waren daadwerkelijk 2e of 3e generatie gelovigen.

Polycarpus

Van Polycarpus (69-156) is bekend dat hij van de Apostel Johannes persoonlijk onderwijs had ontvangen. Zowel hij zelf als zijn leerlingen, waaronder Ireneüs, beschikten over de NT’ische geschriften.

Ireneüs schrijft over Polycarpus:

“Polycarp was instructed by the apostles, and was brought into contact with many who had seen Christ.” (Adv. Hær., iii. 3)

Zou Polycarpus, die zoveel getuigen heeft gekend die uit de éérste hand konden spreken over Jezus’ leven en werk, of Ireneüs, dergelijke fraude hebben geaccepteerd terwijl ze wél fel van leer trokken in woord en geschrift tegen bijvoorbeeld de gnostici en andere dwaalleer? Wie bijvoorbeeld eens deze citaten van de vroege kerkvaders leest, hoort ook in alles Paulus en de Evangelieën doorklinken.

Bergrede van Jezus
Bergrede van Jezus (creative commons license)

Polycarpus spreekt in zijn brief aan de Filipenzen bijvoorbeeld over Rufus (zie verder) en de ‘gezegende Ingatius’ en citeert Paulus én de Evangelieën er ook in.

Polycarp 2:3 – Oordeel niet dat u niet geoordeeld wordt. Vergeef, en het zal je vergeven worden. Ontferm u opdat u barmhartigheid zult ontvangen. Met welke maat je meet, het zal je opnieuw gemeten worden; en wederom Zalig zijn de armen en zij die vervolgd worden ter wille van de gerechtigheid, want hunner is het koninkrijk van God. (Hertaald uit de “Epistle of Polycarpus” vertaald in het Engels door J.B. Lightfoot)

Overduidelijk herkennen we dit (samengestelde) citaat als afkomstig uit de bergrede. De brief van Polycarpus (PDF-mirror) is, zoals je aan de vele voetnoeten kunt zien, één aanéénrijging van letterlijke citaten uit de Evangelieën, brieven van Paulus, Petrus, maar ook Jesaja en zelfs Tobit.

Collecties

Het is interessant om te zien dat (ook) Ignatius in 115 n.Chr. blijkt te beschikken over een collectie van de Evangeliën en Clemens in 96 eveneens een collectie van de brieven van Paulus had:

“in 96 lijkt Clemens al over de brieven van Paulus te beschikken en veronderstelt van de lezers van zijn brief hetzelfde; ook de schrijver van 2 Petrus veronderstelt de brieven van Paulus bekend”.

Verschillende schrijvers in de 3e en 4e eeuw identificeerden Clemens met de Clemens die door Paulus in Filippenzen 4:3 (waaronder Origenes, Eusebius en Hiëronymus).

Het NBG beweert echter, strijdig met de historische gegevens en voorgaande getuigenis van de vroege “Apostolische Vaders”, met droge ogen over bijvoorbeeld 1 Timoteüs:

“Waarschijnlijk heeft een van Paulus’ leerlingen deze brieven geschreven, enkele tientallen jaren na zijn dood.”

En verder schrijven ze dat 2 Tessalonicenzen, Kolossenzen, Efeziërs, 1 Timoteüs, 2 Timoteüs en Titus “volgens veel bijbelwetenschappers waarschijnlijk niet door [zijn] Paulus geschreven. Maar ze zijn op naam van Paulus gezet door auteurs die één of twee generaties later leefden.”

Opmerkelijk is dan wel dat eerdergenoemde Polycarpus uit deze ‘omstreden’ brieven citeerde! Hoe zou hij er uit hebben kunnen citeren als ze pas (ook) ná of tijdens zijn leven zouden zijn geschreven?

Wie die wetenschappers, door het NBG opgezijnvoerd, zijn en waar ze zich qua bewijs op baseren blijft in het ongewisse. Op gezag van het NBG moeten we als leken dan maar aannemen dat het allemaal klopt kennelijk.

Als Polycarpus, Ignatius en Clemens al (zo vroeg) over de Evangeliën en brieven beschikten en ze bekend veronderstellen bij de ontvangers van hun eigen werk betekent dat niet anders dan dat de Evangeliën en de brieven reeds wijdverspreid waren, al ver voor het jaar honderd. Aangezien de reproductie van de Evangelieën en brieven secuur en tijdrovend was, kan dit niet zomaar in korte tijd geregeld zijn geweest.

In de tijd van Ireneüs was er ook al een duidelijke een ‘canon’; hij noemt nagenoeg alle boeken van het Nieuwe Testament.

 

Fragment brief aan de Romeinen
Oxyrhynchus 209, manuscript of the New Testament, Romeinenbrief, 4e eeuw (Wikipedia)

Daarom ook dat er zoveel zeer oude kopieën van de Evangeliën en brieven zijn gevonden ook al zijn ze op het, maar matig te conserveren, papyrus geschreven. Er waren er zó veel beschikbaar uit de eerste eeuwen na Christus dat deze vroege kopieën van het Nieuwe Testament simpelweg ‘overleefd’ hebben dankzij de massa er van.

Een bewering als dat Lucas pas rond 80 (NBG) of zelfs 130, volgens sommigen, zou zijn geschreven kan vanuit dit argument daarom  geen stand houden mijns inziens, net als hele late dateringen van sommige brieven van Paulus en Johannes. Want hoe zou men anders in nog geen 30 à 35 jaar tijd er al zo veel kopieën van hebben gehad? Hoe zouden Polycarpus, Ignatius en Clemens alsmede de ontvangers van hun brieven bekend zijn geweest met de Evangelieën en brieven van Paulus en Petrus?

Bijzonder Intern Bewijs

Er is naas het getuigenis van de vroege kerkvaders belangrijk ‘intern bewijs’ die de Handelingen, en dus ook het Evangelie van Lucas (want dat was het éérste boek dat Lucas schreef), zelfs dateren voor- of rond het jaar 60 n.Chr. Immers: er wordt over de dood van Paulus niets genoemd; het boek stopt bij zijn éérste gevangenschap. Dat was op dat moment de situatie.

Ook wordt niet genoemd dat Paulus weer vrijgelaten was en nog een 4e zendingsreis of zelfs meer reizen heeft gemaakt. Volgens sommige bijbelgeleerden namelijk zelfs nog een 5e én 6e reis (waaronder naar Spanje). Dit moet bekend zijn geweest bij de toenmalige gelovigen. Het gaat te ver om die reizen hier nu te reconstrueren maar er is in het verleden genoeg over geschreven.

Als een vermeende Lucas de Handelingen zou hebben geschreven in een veel later stadiium, bijv. rond 80, zou hij dit absoluut in zijn boek hebben vermeld!

De arbeider is zijn loon waard

Eén van de meest bijzondere citaten in de brieven van Paulus vinden we in 1 Tim. 5:18 waar hij schrijft (NBG):

Immers, de Schrift zegt: Gij zult een dorsende os niet muilbanden, en: De arbeider is zijn loon waard.

Er is slechts één, letterlijk maar één, plaats in de hele Bijbel waar dit uit geciteerd kón worden.. en dat is Lucas 10:7 waar de Here Jezus wordt geciteerd:

“Blijft in dàt huis, eet en drinkt wat men u geeft, want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere”

De Apostel Paulus citeert hier dus aan de hand van het Evangelie van Lucas! In Matt. 10:10 staat het nét iets anders geformuleerd, namelijk: “want de arbeider is zijn voedsel waard.” en het zijn juist de brieven van Paulus welke al in collecties voorkwamen eerdergenoemd.

Aan de hand van dit interne bewijs kun je mijns inziens wel stellen: “de cirkel is rond”. Het Evangelie van Lucas was bekend bij Paulus, anders zou hij er niet uit citeren.

Dat Paulus het citaat inleidt als een aanhaling uit de Bijbel, wijst op twee belangrijke zaken:
– Voor Paulus zijn nieuwtestamentische geschriften ook de Schrift. Dit is voor iemand die Joods opgevoed is, een enorme stap. Normaal zou hij een zo groot ontzag voor het Oude Testament moeten hebben, dat andere geschriften niet op gelijk niveau komen te staan. Maar ook 2 Petrus 3: 16 stelt nieuwtestamentische geschriften, namelijk de brieven van Paulus, op één lijn met de overige Schriften;
– Ten tijde van het schrijven van 1 Timotheüs was het Evangelie van Lucas al zo bekend geraakt, dat Paulus het als de Schrift kan citeren. (“Datering van Pauuls reizen, brieven, metgezellen”. (Dr. A. Dirkzwager)

Het énige verweer dat men dan kan aanvoeren is: “deze brief is niet door Paulus geschreven”. En dat doet men dan ook.. In weerwil van de citaten uit deze brief door Polycarpus, overigens.

Dat brengt mij dan bij het volgende onderdeel, het ontbreken van informatie. Want, ook dát is, al verwacht je het wellicht niet, óók bewijs.

Ontbrekende informatie = bewijs!

Ik geloof dat zij die ‘boze opzet’ aan de “vermeende” Lucas e.a. toe willen schrijven zélf een boze opzet hebben: de geloofwaardigheid van de Bijbel in discrediet brengen. Er is immers verder helemaal niets en niemand gediend met deze theorie over “late datering”  en “mensen die onder valse naam schreven” anders dan het afzwakken van het Getuigenis van de Bijbel en de woorden van Jezus?

Tempel in de tijd van Jezus

Verwoesting van de Tempel

De verwoesting van de Tempel van Jeruzalem wordt niet genoemd – en dat terwijl dit voor zowel de Joden als de Christenen een (wereld)schokkend gebeuren moet zijn geweest. Het zette hun hele wereld op zijn kop. Dát verzwijgen?

Sommigen beweren dat dit ‘tactiek’ van de ‘fictieve’ Lucas, Paulus, Petrus en anderen zou zijn geweest om geloofwaardiger over te komen als zouden deze fictieve schrijvers wel degelijk de originele schrijver zijn.

Maar dan ga je per definitie uit van boze opzet van een schrijver die overduidelijk dit doel niet heeft. En ook nog eens zeer geraffineerde boze opzet want géén van de schrijvers vermeldt de verwoesting van de Tempel! Ze moeten dan hebben samen gespannen – en dat strookt weer niet met de beweringen van de ‘moderne wetenschappers’ over de ontstaansgeschiedenis van de Evangelieën en brieven wanneer men stelt: “Waar het tot stand kwam is onduidelijk: het kan op elke plaats in de hellenistische wereld geschreven zijn“.

Schrijvers die zichzelf dan ook volstrekt belachelijk zouden maken immers: iedereen die bijvoorbeeld het Evangelie van Lucas las, of de Handelingen, wíst dan dat de schrijver Lucas niet was of kon zijn. Hoe bizar is dat? Waarom zou je er ook maar énig geloof aan hechten? Als dit waar zou zijn, zou het Evangelie, de Handelingen en de brieven van Paulus nooit brede ingang hebben gevonden. Dat kán gewoon niet. Ze zouden, net als andere aprocriefe boeken (Thomas-Evangelie, gnostische werken) verworpen en bestreden zijn.

Flavius Josephus schrijft uitvoerig over de Joodse opstand tegen de Romeinen, die uiteindelijk uitmondde in de inname van Jeruzalem en de vernietiging van de tempel. In de vroegchristelijke Brief van Barnabas wordt ook over de verwoesting gesproken (hoofdstuk 16), alsook in de joods-christelijk-hellenistische Sibillijnse Orakels.

De verovering van Jeruzalem was zo’n grote gebeurtenis, dat je zou verwachten dat ook de Nieuwtestamentische boeken deze gebeurtenis zouden vermelden, indien deze al plaats zou hebben gevonden. Dit is in potentie dus een mooie manier om de Nieuwtestamentische boeken te dateren. [..]

Jezus spreekt hier een profetie uit over wat er gaat gebeuren met Jeruzalem. Hij voorspelt dat geen steen van de tempel op de andere zal blijven staan en spreekt over ‘gruwel van de verwoesting’ die in de tempel staat. Veel kritische Bijbelwetenschappers menen dat deze profetie verzonnen is na de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. Daaruit volgt dat zowel Markus als Mattheüs (en ook Lukas, zoals we zullen zien) geschreven zijn na 70 n.Chr. Een andere optie is echter dat we hier te maken hebben met een authentieke profetie: een profetie die uitgesproken is voordat de voorspelde gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

Je zult uit moeten sluiten dat Jezus was Wie Hij zei dat Hij was om een authentieke profetie uit te sluiten. [..]

Jezus raadt Zijn volgelingen in Judea aan om te vluchten naar de bergen, wanneer ze de ‘gruwel van de verwoesting’ op de heilige plaats zien staan. Dat laatste zou kunnen slaan op de Romeinen die het tempelterrein betraden. Voor de christenen in Judea was het echter onmogelijk om op dat moment naar de bergen te vluchten, omdat het Judese heuvelland door de Romeinen bezet was. Bovendien weten we van de kerkhistoricus Eusebius dat de christenen al zeer vroeg tijdens de Joodse Opstand, rond 66 n.Chr., naar de stad Pella in het Overjordaanse vluchtten. (geloofsverdediging.nl)

Zoals ook bovenstaande citaat laat zien is er alle reden om niet aan te nemen dat het Lucas Evangelie en de Handelingen decennia later, achteraf, zouden zijn geschreven. Als dat zo was, dan zou men toch op zijn minst de zogenaamde “fictieve profetie” van Jezus in overeenstemming hebben gebracht met de feiten? De Brief van Barnabas is daarnaast, vanwege de inhoud, met zekerheid gedateerd op ergens tussen 70-136 n.Chr.

Daarnaast doet de auteur op geloofsverdediging nog een hele terechte conclusie:

Als de evangeliën na 70 n.Chr. zijn geschreven en de evangelisten de verwoesting van de tempel beschouwden als vervulling van deze profetie, zouden de evangelisten niet verzwegen hebben dat Jezus’ woorden inderdaad waren vervuld. Dit zien we bijvoorbeeld duidelijk bij Lukas (Handelingen 11:28), maar ook de andere evangelisten grijpen vooruit op de gebeurtenissen (bijv. Mattheüs 10:4).

Het ontbreken van de vermelding van de verwoesting van Jeruzalem, het ontbreken van informatie over de dood van Paulus en Petrus, het ontbreken van de 4e zendingsreis en andere relevante informatie zijn daarmee in alle opzichten hele sterke aanwijzingen, een bewijs, voor een vroege datering van de Evangelieën. Immers, anders zouden de Evangelieschrijvers toch wel expliciet hebben vermeld dat de Tempel verwoest wás “zoals voorzegd” e.d.? Waarom dit verzwijgen? Waarom Jezus een “onjuiste” profetie in de mond leggen?

De verwijzing naar Keizer Claudius in Handelingen 11:28 is ook interessant in dit verband. Hij was keizer van 41-54 n.Chr. Duidelijk is dan dat de Handelingen dus zijn geschreven ná 54. En aangezien het verhaal stopt bij de 1e gevangenschap van Paulus (60-62) is, vanuit die gegevens de Bijbelse datering tussen 54-62.

Profetische woorden Jezus

Er is aangaande deze profetie van Jezus, over de verwoesting van de Tempel, dan ook maar één conclusie mogelijk: deze ligt nog in de toekomst. Een gedachte die de “moderne bijbelwetenschap” totaal verwerpt. Maar het is de enige mogelijkheid. Tot aan 1948 ook “ondenkbaar” voor veel mensen. Uitgezonderd de aanhangers van de Maranatha-gedachte, predikers als John Nelson Darby, C.I. Scofield e.v.a. uiteraard die dit op grond van de Bijbelse gegevens al ruim voor die datum geloofden.

Charles Spurgeon zei bijvoorbeeld in 1864, naar aanleiding van Ezechiël 37, het volgende:

De betekenis van onze tekst zoals die door de samenhang wordt verklaard, is overduidelijk, wat de woorden ook mogen betekenen:

1. Ten eerste, dat er een politiek herstel van de Joden zal zijn in hun eigen land en in hun eigen nationaliteit.
2. Dan ten tweede, ligt er in de tekst en in de context de duidelijkste verklaring dat er een geestelijk herstel – in feite een bekering – van de stammen van Israël zijn zal.

Als er één zaak duidelijk en helder is, de letterlijke betekenis en bedoeling van deze passage – een betekenis niet om te vergeestelijken of te verdampen – moet het duidelijk zijn, dat zowel de Twee als de Tien Stammen van Israël in hun eigen land moeten hersteld worden en dat een koning over hen zal regeren.

De “moderne bijbelwetenschap”, zie verder, baseert zich dan ook op opvattingen en theorieën van voor die tijd en uit een specifieke opvatting en kring. Ze kúnnen niet uit de voeten met de profetische woorden in de schriften!

Laat niemand u misleiden

Opmerkelijk is dan ook, in dit verband, dat juist 2 Tessalonicenzen evenééns een “omstreden brief” wordt genoemd omdat in deze brief ook dit gebeuren wordt aangehaald:

“Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is”. (2 Tess. 2:3-4)

Het is te absurd voor woorden aannames te doen over een latere datering of andere auteurs (om te proberen de profetie uit te gummen). Het is eveneens absurd om juist 2 Tessalonicenzen ná het jaar 70 te dateren aangezien de Tempel toen verwoest was – wat zouden de lezers van de brief daar dan wel niet van moeten denken?? Pas toen de verwoesting van de Tempel een feit was hebben ze waarschijnlijk begrepen dat Jezus over de toekomst sprak.

Gedetailleerde informatie

Naast het ontbreken van informatie die je wél zou verwachten is er ook veel, zeer veel, gedetailleerde informatie die eigenlijk niet eens zo terzake doende lijkt. Maar nu, achteraf, van onschatbare waarde is voor ons!

Gewaarmerkte brieven

Daar komt in het geval van 2 Tessalonicenzen nog bij dat het laatste vers van de brief zegt: “Een eigenhandige groet van mij, Paulus. Dit is een waarmerk in elke brief: zó schrijf ik.” want, zie 2 Tess. 2:2, er waren inderdaad falsificaties in omloop. Om het kaf van het koren te scheiden, ondertekende Paulus zijn brieven – wanneer hij ze dicteerde aan zijn schrijver(s) – in voorkomende gevallen zelf. Hoe kán een “moderne wetenschapper” zulke cruciale aanwijzingen over het hoofd zien?

Ontmoeting met Gallio

Het Christendom was op dat moment ook al zodanig wijdverbreid dat Nero, in 64 n.Chr, de eerste grote vervolging begon. Net als na hem de andere keizers. In de Evangeliën vinden we daar nog geen spoor van(!) net als in de Handelingen. Waar bijvoorbeeld wel Paulus’ ontmoeting met Gallio wordt vermeld (Hand. 18:11-17) en eerdergenoemde Keizer Claudius. Waarom zou men zulke details wél noemen, en vervolgens de verwoesting van de Tempel alleen maar in “bedekte termen” middels een profetie van Jezus?

Wie is toch die Rufus?

Het is bekend dat Marcus zijn Evangelie heeft geschreven als vertolker van de woorden van Petrus. Zowel Papias (net als Polycarpus een leerling van de Apostel Johannes) als Eusebius verklaren dit.

Simon van Cyrene by Romke Hoestra (creative commons)

Ireneüs schrijft:

Na de dood van hen [Petrus en Paulus] heeft Marcus, de leerling en vertolker van Petrus, ook zelf wat door Petrus verkondigd was, ons schriftelijk overgeleverd. (Ireneüs, Tegen de ketterijen III 1. 2)

Marcus’ Evangelie is het kortste. De reden is eenvoudig: hij schreef alléén op wat Petrus had verteld. De vertelstijl is in de vorm van het Hebreeuwse Oude Testament; er wordt steeds met het verbindingswoord ‘en’ geschreven. Het is ook “weinig literair” en daarom was er door de eeuwen heen weinig aandacht voor Marcus.

Dit veranderde de afgelopen twee eeuwen totaal. Tegenwoordig wordt Marcus en het niet bestaande “Q-Evangelie” door “de moderne wetenschappers”  gezien als bron voor Lucas en Mattheüs.

In het Marcus-Evangelie is een bijzonderheid, een detail, te vinden.

En zij presten een voorbijganger om zijn kruis te dragen, een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, de vader van Alexander en Rufus. (Marcus 15:21).

Geen enkel ander Evangelie heeft Alexander en Rufus vermeld. Waarom niet? En waarom Marcus juist wel? De gedachte is dat Marcus het Evangelie schreef in Rome, waar hij bij zowel Paulus als Petrus was tijdens hun gevangenschappen. Rufus behoorde tot de christelijke gemeente in Rome. (Rom. 16:13).

Het lijkt maar een klein detail, zo’n vermelding “de vader van Alexander en Rufus” maar het is een detail die een vervalser nooit had kunnen wéten, laat staan verzinnen. Daarbij onderstreept het dat er in Rome getuigen (Rufus en kennelijk ook Alexander) in de gemeente waren die uit de 1e hand, via hun vader, wisten van het leven, lijden en sterven van de Here – sterker nog: hun vader had het kruis van de Here mede gedragen!

Het onderstreept maar weer eens waarom de christenen tijdens de vervolging zo standvastig waren: er waren, toen de vervolgingen uitbraken, meer dan een páár ooggetuigen van Christus’ leven en werk onder hen. Het maakt ook duidelijk dat Paulus’ verwijzing in 1 Kor. 15:6 niet zomaar uit de lucht gegrepen was.

De Reizen van Paulus

Al eerder citeerde ik een stukje uit de studie van Dr. A. Dirkzwager. In het verleden heb ik zelf een reconstructie gemaakt van de 4e zendingsreis van Paulus – maar mogelijk heb ik een aantal onderdelen samengevoegd in één reis die tot nog méér reizen hadden moeten leiden. Dr. Dirkzwager komt op basis van de detailinformatie uit Handelingen en de brieven van Paulus tot maar liefst zes reizen.

In de studie “Datering van Pauuls reizen, brieven, metgezellen” is zijn slotconclusie:

De brieven van Paulus blijken goed te passen binnen de gebeurtenissen van het boek Handelingen en binnen een zesde reis waarover de christenen van na de Bijbel inderdaad geschreven hebben. Die zesde reis is goed te reconstrueren vanuit de brieven. Mijn conclusie is, dat een eventuele vervalser van Paulus’ brieven die grote moeite niet zou gedaan hebben om lange passages met groeten van metgezellen of plaatselijke figuren te kunnen schrijven, passages die niet essentieel waren voor wat hij valselijk wilde overbrengen. Paulus’ brieven in het Nieuwe Testament zijn dus echt.

Alles bij elkaar genomen, en ik kan in dit stukje natuurlijk lang niet alles benoemen op dit punt, is het zonder twijfel een vaststaand feit dat het Nieuwe Testament, de Evangelieën van Mattheuüs, Lucas en Marcus en de (meeste) brieven van Paulus en Petrus, allemaal zijn geschreven tussen ca. 33-64 n.Chr. Met andere woorden: door de schrijvers zoals Lucas, Paulus en zijn mede-arbeiders, Marcus (namens Petrus) e.a. en niet door “ghostwriters” die onder de naam van een Apostel een falsificatie de wereld instuurden!

Het Evangelie van Marcus

Ik ben er, door bovenstaande feiten, eigenlijk van overtuigd dat het Evangelie van Marcus láter is geschreven dan het Evangelie van Lucas en Mattheüs. Want Marcus schreef dit Evangelie op basis van Petrus’ getuigenis (tijdens Petrus’ gevangenschap opgetekend in Rome, zo is mijn overtuiging, of snel daarna). Polycarpus citeert hem niet. Papias, eveneens een leerling van Johannes zei (zie ook eerder), schreef:

De oudste [de apostel Johannes] zei ook nog: Marcus werd de tolk van Petrus en schreef nauwkeurig, weliswaar niet in volgorde, alles op wat hij [Petrus] zich herinnerde van wat de Heer had gezegd of gedaan. Want hijzelf [Marcus] had de Heer niet gehoord en was hem niet gevolgd. […] Marcus deed er niet verkeerd aan toen hij aldus sommige dingen uit zijn herinnering optekende. Want voor één ding droeg hij zorg: niets weg te laten van wat hij gehoord had en zich daarin niet aan valse beweringen schuldig te maken. (Wikipedia)

Ireneüs meldt dat Marcus het evangelie schreef na Petrus’ dood. Petrus stierf ergens tussen 64-68 n.Chr. Het is zeer goed mogelijk dat Marcus op basis van notities gemaakt in gesprekken met Petrus, en eventueel gegevens van Lucas en Mattheüs, zijn Evangelie heeft geschreven. De datering die meestal wordt aangehouden is rond het jaar 70. En dat zou dan ook gewoonweg kloppen.

Dat Marcus als brón voor Mattheüs en Lucas wordt genomen is, gezien al het vorenstaande, eigenlijk onbestaanbaar. Maar juist andersom lijkt mij héél verdedigbaar! Marcus schreef het Evangelie als “tolk van Petrus” en zal zeker check en dubbel-check hebben gedaan. Het Woord van God, de woorden van Jezus, waren Marcus, Mattheüs en Lucas alsmede de Apostelen Paulus, Petrus, Johannes e.a. véél te kostbaar om daar lichtzinnig mee om te gaan!

Brief aan de Romeinen

Op het moment dat ik dit (oorspronkelijk) schreef bestudeerde ik de brief aan de Romeinen en zo kwam ik er op iets op te zoeken over deze brief. Omdat de inhoud van de brief er toe leidt dat ik wat vraagtekens heb bij een aantal aannames die er over worden gedaan.

Door de zoektocht naar informatie kwam ik op een fragment van deze brief en bronnen die melden dat van de Romeinenbrief reeds voor het jaar honderd wijdverspreid kopieën in omloop waren. Ook in de Bijbel zelf wordt dit genoemd; zoals gemeld: Petrus schrijft in zijn brief over de brieven van Paulus en daarnaast wordt ook de opdracht gegeven afschriften van de brieven door te zenden aan andere gemeenten.

Bijzonder is soms de vindplaats van deze oude kopieën. Een antieke vuilstort waar zéér veel oude geschriften werden gevonden, inclusief bijbelgedeelten. Juist door de combinatie met andere oude boeken is het dan des te aannemelijker dat het originele kopieën zijn en geen falsificaties.

Resumerend…

Resumerend zijn de volgende redenen te noemen om late dateringen af te wijzen:

  1. het getuigenis van de vroege kerkvaders en het feit dat zij al over de Evangelieën en brieven beschikten;
  2. het interne bewijs (feiten, kruisverwijzingen, Paulus’ eigenhandige ondertekening, citaat Paulus van Lucas);
  3. het feit dat de uitspraken van Jezus, die profetisch zijn, als ze achteraf waren ingevoegd onjuist zouden zijn;
  4. conflicten in de bewijsvoering van de “moderne wetenschap” zelf alsmede conflict met het interne bewijs en getuigenis van de vroege kerkvaders;
  5. de onmogelijkheid dat er samengespannen zou zijn door alle zogenaamd fictieve auteurs. Al was het alleen al doordat dit conflicteert met de opvattingen van de “moderne wetenschap”. Dat huis is tegen zichzelf verdeeld;
  6. het ontbreken van zaken die zonder twijfel wel vermeld zouden zijn als de boeken en brieven later waren geschreven;
  7. het aanwezig zijn van zó veel details dat het onmogelijk is deze later te verzinnen..

Het lijkt wel of de “moderne bijbelwetenschappers” er alles aan doen om de Bijbel, linksom of rechtsom, als een falsificatie af te doen. Ik verbaas mij daar over. Waarom je wetenschappelijke cariere spenderen aan een boek waarvan je van mening bent dat het toch één en al onzin is wat er in staat? Als ik die overtuiging zou zijn toegedaan had ik die moeite niet genomen en “een andere hobby gezocht”! Daar komt bij dat het totaal niet klopt met wat we uit de diverse bronnen én de Bijbel zelf kunnen concluderen.

De klassieke datering(en) van de Evangeliën, Handelingen en de brieven van Paulus vormen geen enkel probleem, integendeel.

Ongeloof

Mijn conclusie over de ‘moderne bijbelwetenschap’ is dat er simpelweg vanuit ongeloof gewerkt wordt. Men gelooft totaal niet in de Bijbel, schrijft de Bijbel toe aan “2e en 3e generatie christenen” die kennelijk maar iets verzonnen hebben. Een levensbeschrijving van Jezus gefabriceerd hebben, Hem uitspraken in de mond leggen. Die dan ook nog niet eens kloppen met de feiten. Eén grote farce derhalve?! Wel een hele slechte, volgens hun eigen (strijdige) uitlatingen, dan ook nog!

De “moderne wetenschap” waar men zich op baseert is overigens grotendeels achterhaald. Men gaat uit van theorieën en opvattingen uit de 19e eeuw (1838!!) en negeert veel nieuwe inzichten, gebeurtenissen (de in de Bijbel voorzegde stichting van de staat Israël) en opvattingen. Daarnaast zijn deze opvattingen ook theologisch ingekleurd. Het komt uit de hoek van mensen die bijvoorbeeld het herstel van Israël verwierpen.

Al vanaf het prille begin van het Christendom werden de gelovigen hevig vervolgd. Door de Joden maar ook door de Romeinen. Zij zagen in het Christendom een enorme bedreiging van de status quo. Desondanks hielden de christenen vast aan hun overtuiging.

Je zult, als gelovige indertijd, toch wel gek geweest zijn als je achter een of andere ‘goeroe’ aan bleef lopen als je dat je leven kostte, als je niet 200% zeker was van wat je geloofde?

Petrus formuleerde het zo in één van zijn brieven:

Want wij zijn geen kunstig bedachte verzinsels gevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Heere Jezus Christus  bekendmaakten, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit. 2 Petrus 1:16.

(zie verder “Dat Geloof Ik Niet“).

De eerste christenen wisten wel degelijk wát en waaróm ze geloofden en hadden daar hun leven voor over. Zij wisten dat de getuigen en de getuigenissen in woord en geschrift, waarover ze beschikten, waar waren. Ik maak mij sterk dat als de christenen uit de eerste eeuw de stukjes zouden lezen van de huidige “moderne wetenschappers” ze niet zouden weten wat ze zouden horen en hén ongelovig zouden aanstaren… zijn ze dáár voor gestorven? Om tot leugenaars, en domme nalopers van verzinsels, te worden bestempeld?

Oude Testament

Tot slot, het Oude Testament? Reeds in de tijd van Jezus was daarvan de canon vastgesteld en was er op dat moment zelfs al een Griekse vertaling die ruim 200 jaar oud was. Ook deze was wijdverspreid al was het alleen al doordat het Jodendom, de Joden, zelf over de hele toenmalige wereld verspreid waren geraakt. Dat onderwerp stip ik ook aan in deze video.

__
(herziene versie, oorspronkelijke tekst: 28 december 2019)